Het leek even goed te gaan met mijn buurtkastje. Ik had een foto erin gelegd van de dame die mijn kast steeds leegroofde. Haar gezicht had ik zwart gemaakt. Deze foto was vervaagd door vocht. Het buurtkastje valt bijna uit elkaar. Wordt aan gewerkt.
Iedereen mag meenemen wat hij wil. Diefstal bestaat niet. Maar toch. Alles meenemen voelt zo niet fijn voor de medemens. EgoĂŻstisch gedrag.
Vanmorgen kwam ik aan gereden. Ik zag dat fietsje weer staan. Spreek ik haar aan of niet? Ik reed even een blok om. Toen kwam ik haar tegen op de fiets. Ze keek mij aan. Ik keek boos. Tja. Heeft dat zin?
Ik weet ondertussen de tijden dat ze hier komt. Puzzeltijd is aangebroken. Daardoor zit ik vaker aan tafel. Uitzicht op het kastje. Ik ga haar, elke keer als ik haar zie, erop aanspreken als ze er is.
Prima als ze iets pakt. Maar alles in één keer? No way.
